Schrijf hier in voor onze nieuwsbrief
  • Maandelijkse e-magazine
  • Wekelijkse updates
  • 60.000 lezers!

Vul hier uw e-mail in:

Vastgoedvergelijker

Aad Rozendal

Foto van Aad Rozendal Aad Rozendal is Hoofd Bureau Vaktechniek RSM Niehe Lancée Kooij en docent bij de leerstoelgroep belastingrecht aan de Universiteit van Amsterdam.
 
 
Meer artikelen van Aad Rozendal

Toch bedrijfsopvolgingsfaciliteit voor vastgoed bv’s(?)

Vandaag is een interessante uitspraak van het gerechtshof in Den Haag gepubliceerd inzake de toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit op de verkrijging van aandelen in een vastgoed bv, zo meldt Aad Rozendal, Hoofd Bureau Vaktechniek bij RSM Niehe Lancée Kooij en columnist bij Vastgoedjournaal. In deze zaak oordeelde het hof dat de vastgoedexploitatie wel als een onderneming kon worden aangemerkt en men een beroep kon den op de fiscaal voordelige bedrijfsopvolgingsfaciliteiten.

Bij de overdracht krachtens schenking of erfrecht van de aandelen in een vastgoed-bv weigert de fiscus in de meeste gevallen de toepassing van de fiscaal voordelige bedrijfsopvolgingsfaciliteiten. Volgens de fiscus zijn deze faciliteiten alleen maar bedoeld voor ondernemingsvermogen en vormt vastgoedexploitatie geen onderneming. Het belang voor aandeelhouders in vastgoed-bv’s kan echter groot zijn. “Zonder de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten kan de belastingheffing namelijk oplopen tot 40% in geval van overlijden. Dit kan leiden tot liquiditeitsproblemen waardoor het voortbestaan van het bedrijf in gevaar komt,” legt Rozendal uit. “De uitspraak van Hof Den Haag komt dan ook als geroepen. Ik heb al eerder aangegeven van mening te zijn dat vastgoedexploitatie in bepaalde gevallen wel degelijk als onderneming kan worden aangemerkt voor de toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten op basis van fiscale rechtspraak.”

Aanzienlijke waarde

In de uitspraak van Hof Den Haag was sprake van een omvangrijke en diverse vastgoedportefeuille met een aanzienlijke waarde van vele miljoenen. Rozendal geeft aan dat het interessant is om te zien welke omstandigheden voor het Hof relevant waren om te oordelen dat sprake is van een onderneming. Zo bestonden de werkzaamheden in het kader van de portefeuille o.a. uit het zoeken en selecteren van huurders, het bepalen van de huurprijzen, het voeren van correspondentie met betrekking tot het aangaan van huurovereenkomsten en huurachterstanden, het amandelen van vragen of opmerkingen van huurders, het beoordelen van het benodigde onderhoud, het overleg met de technische beheerder en de administrateur, het onderhouden van contacten van aannemers, gemeentelijke diensten en nutsbedrijven, het aanvragen van offertes en het verstrekken van opdrachten aan aannemers, de bezichtiging en de beoordeling van de eventuele aankopen van panden. Bovendien was er nauwelijks sprake van leegstand, waardoor de cashflowpositie beter is dan bij normaal vermogensbeheer. De erfgenaam en een van zijn kinderen besteedden 25, respectievelijk 50 uur per week aan de werkzaamheden.

Persoonlijke betrokkenheid

Het Hof Den Haag was dan ook van mening dat het geheel van werkzaamheden kwantitatief en kwalitatief van dien aard is, mede gelet op de aanzienlijke waarde van de onroerende zaken, dat bij de vennootschappen sprake is van een ondernemingsactiviteit. Het Hof vond het ook relevant dat de erfgenaam en zijn zoon een jarenlange ervaring en expertise hebben. Door hun persoonlijke betrokkenheid wordt een hoger rendement behaald dan anders het geval zou zijn.

“Deze uitspraak bevestigt maar weer eens dat men bij een beroep op de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in geval van vastgoedexploitatie niet op voorhand kansloos is, ondanks de starre houding van de fiscus”, zegt Rozendal. “Indien men gaat procederen is het wel  van groot belang dit zorgvuldig te doen en de feiten en omstandigheden goed voor het voetlicht te brengen, wil men kans van slagen hebben.”

Door Aad Rozendal | Gepubliceerd op 9 februari 2014